Beermolen en het Duvelken

Het Duvelken (links) en de Beermolen beheersten gedurende meer dan honderd jaar het landschap in de Lorzestraat. Ze lagen op amper 175 meter van mekaar. Het Duvelken stond links van de Lorzestraat, net ten oosten van het huidige voetbalveld van Dessel Sport, terwijl de Beermolen tussen de Lorzestraat en de Biezenstraat lag. Het Duvelken stond er eerst en werd in 1820 gebouwd. Vanaf 1821 vinden we in ieder geval Joannes Franciscus Raeymaekers (1785-1859) als molenaar terug op de Hoogveldmolen zoals hij kadastraal genoemd werd. Het was een houten bovenkruier en een achtkanter, die door iedereen echter “Het Duvelken” genoemd werd omwille van zijn vinnige bewegingen en zijn vreemde uiterlijk. Het Duvelken zou negentig jaar in het bezit van de familie Raeymaekers blijven. In 1911 verkocht Juul Victor Raeymaekers-Diels de molen aan Martin Moors. Zijn jongste zoon Pierre was de laatste molenaar op het Duvelken. We laten hem even aan het woord: "Het Duvelken was elegant van lijn, door zijn lichte gang bezat hij een goede trekkracht. Toen ik in 1930 op deze molen kwam, gelegen in die zo rijke graanvelden met hun weelderige kleurschakeringen, was het een festijn te mogen genieten van dit zicht. Van in de molenkap zag men die golvende graanzee met hier en daar aan de randen die schone diep-blauwe korenbloemen". 

Door de bouw van het Duvelken kreeg de Oude Molen voor het eerst in meer dan drie eeuwen concurrentie. Het antwoord van Weduwe Van de Vliet - eigenares van de Oude Molen- liet niet lang op zich wachten. Vlakbij Het Duvelken liet zij de Beermolen bouwen. Deze windmolen was eveneens een houten bovenkruier en een achtkanter en was afkomstig van Mol waar hij sinds 1802 als volmolen dienst deed. De uitbating van deze volmolen was echter geen commercieel succes en de eigenaars verkochten hem in 1820 aan Weduwe Van de Vliet, die er in Dessel een graanwindmolen van maakte. In 1822 werd zij voor het eerst belast voor twee windmolens. De inplanting van de Beermolen zo vlakbij het Duvelken was in ieder geval strategisch. Al wie vanuit het Zandvliet en vanuit Witgoor met graan kwam, passeerde immers eerst aan de Beermolen. Pierre Moors beschreef de Beermolen als volgt: "hij was zeer log en zwaar van gang, maar niet minder interessant. Ik vond deze molen zeer vakkundig gebouwd. Dit bewees de gecombineerde verbinding tussen kruising en hoekstijlen. Hij scheen onverwoestbaar sterk en zwaar. De rondsels waren van een raar type, bijzonder interessant voor echte molenbouwers."

In 1834 erfde Elisabeth Van de Vliet zowel de Oude Molen als de Beermolen van haar moeder. Het was echter haar neef Jan Frans Vosters die het beheer over de beide molens kreeg. Hoewel het gebeurde dat de Beermolen tijdelijk verpacht werd, bleef hij tot in 1921 in handen van de familie Vosters. In 1852 vroeg Jan Frans Vosters de toelating om de Beermolen uit te rusten om smout te sla-gen. Hiermee werd de Beermolen een concurrent voor de Beekmolen aan de Boeretang. Het zou er ook op kunnen wijzen dat drie windmolens voor Dessel van het goede teveel was en dat de Beermolen niet echt rendabel was. In 1921 verkocht de Weduwe Eugeen Vosters-Maes de molen voor vijfduizend fr aan Jozef Staes. Staes probeerde met de moderne evoluties mee te gaan en installeerde later op zijn boerderij een maalinstallatie op electriciteit. Het gaf blijkbaar niet het verhoopte resultaat, want hij hield ook de Beermolen nog draaiende. In augustus 1937 schakelde hij over op een maalinstallatie, aangedreven door een dieselmotor. Dit bleek een groter succes en de Beermolen werd overbodig. Reeds in december 1937 vroeg Jozef Staes aan de gemeente de toestemming om de Beermolen af te breken. Noch Staes, noch de gemeente hadden oren naar de voorstellen van de Provinciale commissie voor monumenten en landschappen om de Beermolen te behouden en in februari 1938 werd hij afgebroken.

De opkomende maalinstallaties, aangedreven door electriciteit of door een dieselmotor betekenden het begin van het einde voor de stoere windmolens. Bij Pierre Moors daalde de omzet met 60%. Ook de dagen van Het Duvelken waren geteld. Toch beheersten kort voor de Tweede Wereldoorlog nog talrijke molens het Kempische landschap. In 1930 zag Pierre Moors vanop de begane grond buiten de molens van Dessel nog vijf molens in Retie, vier in Arendonk en twee in Mol. Kijkend van boven in de kap kwamen er nog twee molens in Mol en vier in Balen bij. Bij helder weer waren ook in de richting van Lommel en van Geel een aantal molens te bemerken. Ook in het Duvelken werd uiteindelijk nog een maalinstallatie op diesel ingebouwd, maar het kon de molen niet meer redden en op 18 november 1946 werd hij openbaar verkocht. Het Duvelken zou nog nauwelijks malen. De molen werd ontmanteld, de wieken werden eraf gehaald en rond 1952 werd hij volledig afgebroken.